Week 5: Kind of blue

Felicita Vos en Jac. Toes zullen elkaar twaalf zaterdagen lang bestoken met alles wat hun opvalt, wat hen prikkelt, razend maakt, tot tranen beweegt of anderszins beroert in Arnhem en de rest van het heelal.  Om en om geeft de een de voorzet, waarna de ander de bal ofwel in het open doel knalt, ofwel de opgelegde kans magistraal verprutst. Maar altijd met stijl en onaangetaste slagkracht.

Felicita Vos en Jac. Toes zullen elkaar twaalf zaterdagen lang bestoken met alles wat hun opvalt, wat hen prikkelt, razend maakt, tot tranen beweegt of anderszins beroert in Arnhem en de rest van het heelal. Om en om geeft de een de voorzet, waarna de ander de bal ofwel in het open doel knalt, ofwel de opgelegde kans magistraal verprutst. Maar altijd met stijl en onaangetaste slagkracht.

But not for me

Goh Jac. weet je nog dat we ooit eens samen te gast waren bij een lokale radiozender? We waren uitgenodigd om over ons werk te komen praten, wat voor te lezen en te filosoferen over het schrijverschap. We werden ook vriendelijk verzocht muziek mee te nemen. Ik had die dag Cd’s van Miles Davis en Chet Baker bij me. Twee muzikale helden die ik beiden nog live heb zien optreden. Je wierp een blik op mijn Cd’s en zei lachend: ‘Dat is oude lullenmuziek Felice’. Jij wist toen nog niet dat ik als piepklein meisje al samen met mijn muzikaal begaafde vader naar het allereerste North Sea Jazzfestival ging. Het werd het een jaarlijks terugkerende familietraditie die we lange tijd in ere hielden.

Het klinkt misschien wat afgezaagd en clichématig, maar muziek speelde in ons gezin een centrale rol. Mijn vader was onder andere een begenadigd gitarist en zanger. Mijn oudere broer speelde ook gitaar, maar dan elektrisch. We werden een fiks deel van de dag getrakteerd op elkaar beconcurrerende en generatie overstijgende muziekstijlen. Dankzij hen kreeg ik een brede muzikale vorming die door de generatieverschillen een extra dimensie kreeg. Leeftijdsgenoten hadden mij nooit in aanraking gebracht met muziekiconen als Charlie Parker en Jimmy Hendrix. Vele concerten bezochten we samen. Daarvoor hoefden we niet per definitie naar Den Haag. Ook Arnhem had een rijke Jazzscene. Neem George Jazzcafé. Daar zagen we Monty Alexander en John Clayton spelen, maar ook optredens van Art Blakey en Dexter Gorden bezochten we in het piepkleine Jazzcafé.

Het zal je nu niet meer verbazen dat ik vaak naar Jazz op 6 luister. Laatst nog kon je een fantastische prijs winnen. Een verrassingsbox met muziek van Jazzgiganten. Het enige dat je daarvoor moest doen was een fragment beluisteren en Edwin Rutten per sms laten weten om welk liedje het ging, wie de uitvoerende artiest was en van welk album de song kwam. Hij voegde er aan toe dat degene die de eerste acht regels kon meezingen extra in de prijzen zou vallen. Na het horen van de eerste noten wist ik het: Chet Baker met: ‘But not for me’ van het album Chet Baker Sings. En zingen kon ik het ook. Opgetogen sms’te ik het antwoord naar het opgegeven nummer, althans dat dacht ik. Ik oefende nog even de eerste acht regels zodat ik goed voorbereid zou zijn als Ome Willem mij zou bellen. Ik had de oplossing nog niet verzonden of mijn telefoon begon te trillen. Dat is snel, dacht ik terwijl ik verheugd mijn telefoon oppakte. Ik opende het bericht en las tot mijn grote verbazing: ‘We hebben je bericht doorgestuurd naar de juiste vrouw. Die weet er wel raad mee, kanjer.’ En daaronder: ‘Oh hee, je sms’te me wakker, sliep net ff, ben ook niet zo handig met de mobiel, niet weggaan hoor ik wil je graag leren kennen, waar heb je zin in?’

Huh?

In plaats van Edwin Rutten had ik een of andere sekslijn te pakken! Stoppen kostte 1,50 euro. Nou, dat had ik er graag voor over. Het woordje ‘stop’ in kapitalen, zou een einde maken aan het delen van, in mijn geval, ongewenste intimiteiten. Nog een laatste poging: ‘Als je zin in iets heets hebt…’ Even een zijpad…hebben ze eigenlijk ook mannen op zo’n lijn in de aanbieding? Niet dat ik erom verlegen zit, echt niet, maar ik denk altijd dat vrouwen zoiets niet doen, telefoonseks, maar misschien is dat een idee fixe. Enfin, ik sms’te nogmaals het antwoord naar het goede nummer, maar was te laat. De prijs, een droombox vol “oude lullenmuziek” was al vergeven.

Vorig weekend beleefde het North Sea Jazz festival zijn vijfendertigste editie. Het was een festival vol contrasten: tropische temperaturen, dito regenbuien en voetbalkoorts. De organisatie had er een zware kluif aan. Ik was er dit jaar wegens omstandigheden niet bij. Met weemoed dacht ik terug aan de zoete of zo je wilt gepeperde herinneringen. Intussen let ik goed op hoe ik mijn vingers ritmisch over mijn qwerty laat bewegen. Voor je het weet beland je ongewild van Jazz in heel anders sferen.

Tot volgende week gabber!

Je schrijfmaatje

 

Swingende Felice!

Heb ik jouw cd’s echt ouwelullenmuziek genoemd? Onbegrijpelijk. Van huis heb ik  niks muzikaals meegekregen: mijn moeder floot wel eens een deuntje, om haar woede op mijn vader weg te blazen. Dat gefluit bracht me altijd in verhoogde staat van paraatheid omdat ze haar slotakkoorden nog wel eens kracht wilde bijzetten met het serviesgoed. Om zelf ook muziek te maken op basis van levenspijn kocht saxofoon toen ik het huis uitging. Dat was een instrument waarmee je het beste de Weltschmerz kon uitdrukken, vond ik. Mijn muzikale rolmodellen waren de saxofoonsolo’s  in ‘Der Ganzumsonst’ van Hauser Orkater en ‘Harlem Nocturne’ van Mink Deville.  Jakkerend mooi lijden, typisch iets voor mij. Achteraf herken je de latente depressies die toen al een uitweg zochten maar toen beschouwde ik een optreden vooral als een opstapje tot een succesvol liefdesleven. Eenmaal op de Bühne (en goddelijk verscheurd spelend) zouden mijn klanken iets moois losmaken bij minstens één meisje in het publiek. Dat meisje zou zich na het optreden bij mij aan de bar voegen en we zouden in onuitgesproken soulmateship een paar biertjes drinken. Later die nacht, als dat meisje naar mijn etage was meegegaan om nog wat te luisteren naar het werk van verdienstelijke collega’s als Stan Getz en John Coltrane,  dan zou blijken dat mijn spel ook nog een bijwerking als afrodisiacum had.
Nou, ik had wel zin in een optreden in pakweg George jazzcafé. En het kwam er nog van ook. Eén maal.
Sommige mislukkingen zijn totaal Murphiaans, andere hebben een slapstickhumor. Deze was domweg banaal. Die avond stonden we met een hele oefenband op het podium, met zo veel dat we er bijna vanaf vielen. De solo’s waren volgens een  strak schema verdeeld: iedereen kreeg acht maten.  De mijne was vlak voor de pauze gepland. Tijdens de andere nummers keek ik steeds rond en constateerde dat de tent helemaal was gevuld met zestigplussers, om niet te zeggen, ouwelullen. Waar zat dat meisje dat werd geacht op mij te vallen? Ja, de barkeepster, natuurlijk! Ik tuurde zo geconcentreerd naar haar dat ik bijna vergat in te zetten toen mijn nummer werd aangekondigd. Ik greep mijn sax van de standaard en schuurde ermee langs het leren jack van mijn medespeler. Mijn eerste tonen klonken alsof iemand de papiershredder had aangezet. Ik speelde op een gescheurd rietje maar het effect was allesbehalve verscheurend te noemen. Een vuvuzela avant la lettre. Acht maten lang spetterde en kraste ik door de muziek heen. Het was de eerste keer dat ik oprecht gekweld speelde.
Heel experimenteel, merkte iemand bemoedigend op toen we van het podium afkwamen.
Ik liep die nacht alleen naar huis.

Je schrijfmaat.

Share
Twitter Facebook Instagram
blogs van felicita