Schrijversperikelen

columnfoto‘Goh, wat verdien je nou aan zo’n boek, kun je ervan leven?’ Die vraag wordt aan vele schrijvers gesteld. Ik gaf er altijd braaf antwoord op, maar merkte op een gegeven moment dat ik het onplezierig, zelfs grensoverschrijdend ging vinden. Onlangs vroeg een presentatrice me nog: ‘Zeg, wat doe jij nou in het echte leven?’

‘Schrijven,’ zei ik verbaasd.

‘Ja, en verder? Of heb je een rijke vent aan de haak geslagen?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Hoeveel boeken verkoop je per jaar?’

‘En jij,’ vroeg ik haar vraag negerend. ‘Heb jij een rijke man aan de haak geslagen?’ Ze kleurde, mompelde dat ze de trein moest halen en ging er als een haas vandoor.

Het is niet zo erg als iemand vraagt wat wij schrijvers aan onze boeken verdienen, maar het is de manier waarop de vraag wordt gesteld en de vanzelfsprekende verwachting van het felbegeerde antwoord. Aangemoedigd door het bovenstaande voorval nam ik me voor het voortaan over een andere boeg te gooien.

‘Nu u het onderwerp toch aansnijdt, wat doet u eigenlijk in het dagelijks leven?’

‘Uh ik ben tandarts,’ antwoordde de eerste vrager overrompeld.

‘Wat verdient dat nu?’ vroeg ik charmant glimlachend. Ik werd in eerste instantie vol ongeloof aangekeken. Daarna vertrok zijn gezicht in iets dat op een glimlach moest lijken. En nee, voor hij de aftocht blies deelde hij niet het geheim van zijn verdiensten met mij. Een collega, ik noem hem voor het gemak maar even meneer de schrijver, pakt het heel anders aan. Laatst nog waren we beiden te gast op een literaire avond. Voor het programma begon kwam een van de gasten quasi nonchalant aangewandeld. Hij knoopte een praatje aan, nam een slokje koffie, aarzelde wat voor hij de prangende vraag op ons afvuurde.

‘Och meneer, het is dat u erover begint,’ lispelde meneer de schrijver benepen. ‘Nee, ik kan er helemaal niet van leven. Ik zag u al kijken, mijn pak moet inderdaad hoognodig naar de stomerij, maar ja, dan kan ik niet eten. Zelfs de Aldi en route 99 liggen buiten mijn bereik. Ik ben aangewezen op de voedselbank en de giften van mensen die mij en de literatuur goed gezind zijn. Kunt u mij misschien honderd euro lenen?’ De man verslikte zich haast in zijn koekje.

‘Ik heb er nog een,’ grinnikte meneer de schrijver. Na afloop van de avond greep hij zijn kans. Een dame op leeftijd kwam knabbelend op een goed belegd toastje naar ons toe gewandeld.

‘Let op,’ siste hij.

‘O, jullie schrijvers leiden maar een comfortabel leven. Jullie gaan achter een computer zitten, tikken lekker een verhaaltje weg en verdienen daar nog geld mee ook. Hoe makkelijk kun je het hebben,’ zei ze de laatste hap naar binnen werkend.

Meneer de schrijver en ik keken elkaar verbaasd aan. Hierop waren we niet voorbereid. Wat doe je in zo’n situatie? Ga je het tegendeel beweren, de persoon in kwestie vertellen dat schrijven een leven in afzondering betekent, dat de obstakels die je onderweg tegenkomt je zo nu en dan tot wanhoop drijven, dat het eindeloos vallen en opstaan is, dat het een zware wissel op je trekt en ga zo maar door? Ik deed een voorzichtige poging hier en daar wat uit te leggen, maar vond geen vruchtbare aarde. Haar relaas bleek slechts een aanloopje te zijn voor, ja u raadt het al. Ze kneep haar ogen samen, liet de wijn door haar glas rollen en vroeg poeslief: ‘Goh, kun je daar nu van leven, van het schrijven bedoel ik.’

‘Och mevrouw, zie ik er zó slecht uit,’ riep meneer de schrijver met een van wanhoop doordrenkte stem.

‘Nee, nee, meneer helemaal niet. O, mijn man wenkt,’ ze zwikte en kon zich nog net vastgrijpen aan een tafeltje. Haar zorgvuldig geschikte lok, schoof over haar voorhoofd en gaf haar iets verfomfaaids. Meneer de schrijver heeft er inmiddels een sport van gemaakt. ‘Lik op stuk beleid voor het meten met twee maten’, noemt hij het. En ik? Ik prijs mezelf iedere dag een rijk mens omdat ik literatuur mag scheppen.

 

 

 

 

Share
Twitter Facebook Instagram
blogs van felicita